zondag 21 december 2008

12. Romeinen 12:1-21

Na zijn lofrpijzing op de barmhartigheid van God die zich over alle mensen wil ontfermen (aan het eind van Romeinen 11), gaat Paulus verder met de logische conclusie daarop: hij roept de gelovigen in Rome op zichzelf geheel ten offer aan God te geven. (Rom 12:1-2] Daarmee sluit Paulus aan bij zijn eerdere oproep in Rom 6:13: stelt u ... ten dienste van God.     

In Rom. 12:3-8 vergelijkt Paulus de gemeente (in Rome) met een lichaam, waarbij alle leden hun eigen functie hebben en waarin dus niemand op de ander moet neerkijken.  Na de voorgaande hoofdstukken, waarin hij zowel Joodse gelovigen als niet-Joodse gelovigen opriep om niet op de andere groep neer te kijken, passen deze woorden van Paulus erg goed.  Opvallend is trouwens dat hij die tegenstelling tussen de Joodse en niet-Joodse gemeenteleden nu niet specifiek noemt.  Maar ja, waarom zou hij ook; hij heeft er al veel over gezegd en zal er later in zijn brief opnieuw expliciet op terugkomen.

In Rom. 12:9-21 geeft Paulus meer ethische adviezen.  Daarbij staat centraal hoe men zich als gelovigen onderling hoort te gedragen: heb elkaar lief.  Ook benadrukt Paulus hoe men zich moet gedragen jegens degenen die de gemeente vervolgen: houdt vrede, neemt geen wraak, help ze waar mogelijk.

In dit hoofdstuk gebruikt Paulus vier keer het Griekse woord voor allen (pas) of verbuigingen daarvan.  Dat is in Rom. 12:3 (een ieder onder u), 12:4 (de leden niet alle…), 12:7 (voor alle mensen) en 12:18 (met alle mensen).  De betekenis is duidelijk: het gaat om alle mensen, niemand uitgezonderd.

zondag 14 december 2008

Bij Rom 11:26: over het woord 'aldus'

Ik kreeg van een goede broeder een artikel over de vraag naar de toekomst van Israel, waarbij hij met nadruk zegt dat de Griekse term houtoos (aldus), in feite moet worden vertaald met daarna. Voor hem is dat van eminent belang, omdat hij gelooft dat in een verre (?) eindtijd alle Joden tot geloof komen en behouden worden; dan is het veel prettiger om houtoos als nadat te kunnen lezen: het zou dan gaan over een geheel andere bedeling, een andere manier waarop God met de mensheid omgaat. 'Momenteel gaat elke Jood zonder Christus verloren, maar eenmaal, houtoos, daarna, eenmaal zal God de draad met Israel als volk weer oppakken, en alle Joden - gans Israel - zullen dan behouden worden', zo luidt de gedachte ongeveer.

Ik wil daar in dit verband niet op ingaan, maar slechts onderstrepen dat de Romeinenbrief, en ook Rom. 11:26, helemaal geen aanleiding geven voor zo'n gedachte. Mocht iemand de gedachte toch willen koesteren, dan kan dat toch niet worden gebaseerd op de Romeinenbrief.

En ik vind het ook niet aanvaardbaar om een Grieks woord bewust zo te vertalen dat dit in mijn theologie beter uitkomt. Dat doet deze broeder door houtoos heel beslist daarna te willen laten betekenen, denk ik.

Maar hij stuurt er zelfs bewijs uit het woordenboek bij. Ziehier - en sorry voor de slechte kwaliteit, dat ligt aan mij....

Als derde betekenis voor houtoos geeft dit woordenboek inderdaad daarna. Maar het woordenboek zegt erbij dat het woord op die manier werd gebruikt bij Herodotus en in Attisch Grieks; Niet in het Nieuwe Testament dus.

We hebben gezien dat bij Paulus in de Romeinenbrief het woord vaak voorkomt, en dat het elke keer op deze manier, aldus, zo, betekent. Dat zegt het woordenboek dan ook; de eerste betekenis van het woord in het Nieuwe Testament is op deze, die wijze. Dus lijkt het me onaanvaardbaar om te stellen dat het in dit verband van Rom. 11:26, plots iets heel anders zou moeten betekenen.

maandag 17 november 2008

ALDUS ZAL GANS ISRAEL BEHOUDEN WORDEN: ROMEINEN 11:25-36

We wagen het erop. Na eerst alle eerdere hoofdstukken van de Romeinenbrief te hebben doorgenomen, zijn we nu toe aan de centrale tekst van ons onderzoek. Aldus zal gans Israel behouden worden.

Mijn uitgangspunt is dat we voor een goede uitleg van die tekst, al het voorgaande uit brief van Paulus aan de Romeinen moeten gebruiken. We kijken naar de directe context, dat is vooral Romeinen 11, maar ook naar wat Paulus in Rom. 1-10 schreef.

In vers 25 zegt Paulus aan de niet-Joodse volgelingen van Jezus in Rome, dat ze niet eigenwijs moeten zijn. Dat zegt hij naar aanleiding van zijn voorgaande beeldtaal over de olijfboom; Joden die niet in Jezus geloven zijn als afgekapte takken, maar als ze tot geloof in Christus komen, krijgen ze weer deel aan God’s heil.

De niet-Joodse gelovigen moeten niet eigenwijs zijn en zich boven die ongelovige Joden verheffen, want God wil nog steeds dat die ongelovige Joden tot geloof komen. Rom 11:26:
Een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israel behouden worden.
Een gedeeltelijk verharding is over Israel gekomen, dat heeft Paulus al eerder in de brief gezegd. In Rom 11:7-10 legde hij al eerder uit, dat het uitverkoren deel het heil heeft verkregen, maar dat het overige deel van Israel is verhard. Ik denk dat we geen onderscheid mogen maken tussen de verharding waarom Paulus in Rom 11:7-10 spreekt, en de verharding die hij in Rom 11:26 noemt. Dit gaat om dezelfde kwestie.

In Rom 11:11, spreekt Paulus erover dat die verharding van Israel ervoor zorgde dat het heil tot de heidenen is gekomen. Me dunkt dat Paulus in Rom 11:26 hetzelfde in andere woorden zegt, als hij het heeft over de volheid der heidenen die binnengaat. Ook hier is sprake van parallellie.
Als Paulus dus spreekt over het feit dat hij de verharde Joden jaloers wil maken om enigen uit het te behouden (Rom. 11:11b-15), dan lijkt me dat de logische parallel voor aldus zal gans Israel behouden worden. (Rom 11:26)

Vanaf het begin van de brief was de vraagstelling van de Joodse gelovigen in de gemeente in Rome duidelijk: Paulus, God heeft grote dingen beloofd aan Israel. Hij zou toch, als de Messias kwam, geheel Israel behouden? Op die vraag heeft Paulus nu zijn antwoord gegeven:
Slechts een klein deel van Israel is tot geloof gekomen; daardoor is het evangelie naar de heidenen gegaan. Nu is het de tijd voor die heidense volgelingen van Jezus, om aan Joden het evangelie te verkondigen. Dat is waar Paulus het in Romeinen 11 over heeft. Niet over eschatologie, niet over een eindtijd, maar over zijn eigen tijd.

Hoe zal gans Israel behouden worden? Op welke manier wil God alle Joden behouden? Doordat de gemeente van Christus het evangelie verkondigt.

Is dat wat Paulus zegt in Rom 11:26? Voor we die woorden aldus zal gans Israel behouden worden nauwkeuriger onder de loep nemen, let op de context van het vers.

Rom 11:7-15: Joden zijn verhard, heidenen komen tot geloof, en moeten Joden het evangelie brengen zodat die nu tot geloof komen. Paulus spreekt over zichzelf en zijn rol daarin, niet over een verre eindtijd.

Rom 11: 30-32: Joden zijn verhard, maar heidenen zijn tot geloof gekomen, opdat heidenen nu het evangelie verkondigen en Joden tot geloof komen. Opnieuw: dit gaat niet over een verre eindtijd. Paulus gebruikt expliciet het woord thans: opdat ook zij thans ontferming vinden.

Dus lijkt het me zeer voor de hand liggen om de woorden van Rom 11:26 op dezelfde manier te lezen. Een deel van Israel is verhard, heidenen komen daardoor tot geloof, om vervolgens Israel het evangelie te verkondigen. En hierbij geeft Paulus geen lesje eschatologie, maar een lesje in missiologie. Dit gaat om zending en de opdracht van de kerk!

Israel is gedeeltelijk verhard, zegt Paulus in Rom. 11:26. Dat behoeft denk ik geen verdere toelichting; we hebben door de hele Romeinenbrief gezien dat dit een feit is. De meesten hebben Christus niet erkend als Heer.

Deze gedeeltelijke verharding heeft te maken met een geheimenis, zegt Paulus: God’s plannen zijn niet stukgelopen door Israel’s ongeloof, maar het heil is hierdoor naar de wereld gegaan. Veel heidenen zijn tot geloof gekomen.

Die verharding is over Israel gekomen totdat de volheid der heidenen binnengaat. Ik heb hierbij vaak horen zeggen dat dit gaat over het totale aantal heidenen dat tot geloof zal komen in alle eeuwen. Dat lijkt me beslist onjuist, precies omdat Paulus de hele kwestie gezien de context niet in een eschatologisch licht plaats, maar in het kader van het getuigenis dat hij in zijn eigen tijd naar Israel wil doen uitgaan.

Het begrip volheid van volken komt overigens ook in het Oude Testament voor, in Genesis 48:19. Jacob zegende Efraim met de woorden dat zijn nageslacht een volheid van volken zou worden. In de LXX wordt gesproken over de pleetos ethnoon; Paulus gebruikt de verwante term pleeroma toon ethnoon. Denkt Paulus dus aan die woorden van Jacob? Dat zou wel voortreffelijk passen in de context, want Paulus maakt in de hele brief duidelijk dat wie in Christus gelooft, ook als hij uit de volken is en niet uit Israel, zich een nazaat van Abraham mag weten.

Als de volheid der volken ingaat gaat dus over het tot geloof komen van niet-Joden, die daardoor binnengaan in God’s Koninkrijk. Zo wordt die term binnengaan in het Nieuwe Testament vooral gebruikt. Het begrip volheid duidt in elk geval niet op allemaal, net zo min als Jacob in zijn zegen aan Efraim bedoelt te zeggen dat zijn nageslacht uit alle volken zal bestaan.

In de onmiddellijke context in Rom 11 wordt volheid trouwens ook voor Israel gebruikt, namelijk in Rom 11:11. Daar wordt het gebruikt als tegengestelde van de val en het ongeloof van Israel. Met een compleet aantal of iets dergelijks heeft de term in dat verband ook niets van doen.

Aldus zal gans Israel behouden worden. Aldus (Gr: houtoos) betekent in de Romeinenbrief altijd op deze manier. Het betekent nadrukkelijk niet hierna of iets dergelijks. Het gaat Paulus niet om een tijdaanduiding; het gaat hem om het uitleggen van God’s plannen en de taak van de gemeente in Rome.

Gans Israel? Het woord gans (Gr: pas) betekent in de hele brief: het totale aantal. Iedereen. Daar gaan we hier dus niet aan tornen. Paulus heeft in zijn brief zeer duidelijk gemaakt dat allen die in Christus geloven, behouden worden. Als de Joden in de gemeente in Rome dus vragen hoe het dan zit met die beloften van God, is Paulus’ antwoord helder. God houdt zijn belofte ook voor gans Israel, maar dan moeten alle Joden wel tot geloof in Christus komen.

Paulus geeft voor het behoud van gans Israel geen enkele garantie in dit vers; hij legt slechts uit op welke manier dit kan gebeuren.

En die term behouden worden? Daarover heeft Paulus in zijn brief al voldoende gezegd; ik verwijs slechts naar Rom. 8, waar Paulus duidelijk maakt wat behoudenis voor alle volgelingen van Christus, Joden en niet-Joden, betekent. Op geen enkele manier suggereert Paulus dat er voor Israel een andere route naar het heil van God is. Lees maar verder in Rom. 11:

God wil zich over alle mensen, Joden incluis, ontfermen. (Rom. 11:31-32) Aan de gelovigen uit de heidenen is ontferming bewezen, en God wil dat gebruiken (door het getuigenis van de gemeente) om te zorgen dat de nog ongelovige Joden ook thans (thans! nu!, in de tijd van Paulus dus) ontferming vinden.

Paulus citeert in dit verband twee verzen uit Jesaja 59:20 en Jeremia 31:33-34. Het is instructief die te bekijken in hun verband. Jesaja zegt dat de verlosser uit Sion komt voor wie zich van overtreding bekeren. Jeremia zegt dat God de wetten in de harten van degenen schrijft wier zonden vergeven worden. Paulus heeft in de hele brief onderstreept dat dit de manier is waarop God Israel vergeving biedt: als ze tot geloof in Christus komen. Er is geen sluiproute.

Dus zien we hoe Paulus de vraag naar het heil voor Israel in de hele brief, en ook in Rom.11, beantwoord met een tegenvraag. Ja, zegt Paulus, God wil gans Israel redden, maar daarvoor moeten ze het evangelie aanvaarden. Er is geen zekerheid dat Israel dit doet, maar onze taak als gemeente is om ze het evangelie voor te houden, zegt Paulus aan de gelovigen in Rome. Dat is de manier waarop gans Israel behouden wordt.

11a. Romeinen 11:1-24

Dus God heeft zijn volk verstoten?(Rom. 11:1) Volstrekt niet, zegt Paulus. Het is van belang om je af te vragen wat de vraagstelling hier eigenlijk is. Wat betekent de vraag of God zijn volk heeft verstoten? Om dat te ontdekken, is het goed om het antwoord van Paulus goed tot je te laten doordringen.Hoe bewijst Paulus dat God zijn volk niet heeft verstoten?
1) Door er eerst op te wijzen dat hij zelf een Israeliet is. (Rom. 11:1)
2) Door te laten zien dat ook in het Oude Testament, als Elia het gevoel heeft dat hij alleen is overgebleven, er nog 7000 gelovigen waren die de Baal niet dienden. (Rom. 11:2-4)
3) Ook in de tegenwoordige tijd [dat is , in de tijd van Paulus] is er een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade.(Rom. 11:5-6)
Dat God zijn volk volstrekt niet verstoten heeft, wil dus niet zeggen dat alle Israelieten tot geloof komen en behouden worden. Paulus bewijst dat het volk niet is verstoten door te wijzen op de enkelingen die Christus volgen. Daaruit concludeer ik, dat de vraag in wezen is: heeft God alle Israelieten dan verstoten zodat ze ook niet meer tot geloof kunnen komen? Nee natuurlijk. Kijk maar om je heen, zegt Paulus. Hijzelf is toch een Jood? En zo zijn er veel meer die Christus volgen.

Wat dan? Hoe zit het dan wel?(Rom 11:7)
Hetgeen Israel najaagt heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en de overigen zijn verhard.(Rom. 11:7)
Die term najagen zagen we ook al in Rom. 9:30-31. Israel jaagde de wet ter gerechtigheid na. Die gerechtigheid heeft het dus niet gekregen. En de uitverkorenen werden ook al besproken in Rom. 8:33. De term duidt daar op alle Joden en niet-Joden die tot geloof in Christus zijn gekomen.

Dat de overigen zijn verhard moeten we zien in verband met Rom. 9:18; Farao werd verhard zodat God’s kracht bekend zou worden en zijn naam verbreid zou worden over de hele aarde. Om deze reden heeft God ook een groot deel van Israel verhard. Daarover later meer. Eerst onderstreept Paulus dat het God’s besluit was om te zorgen dat de meeste Israelieten niet in Christus gingen geloven:
God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.(Rom. 11:8)
En:
Hun tafel worde tot een strik en een net, en tot een aanstoot en vergelding voor hen. Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en doe hun rug voorgoed zich krommen.(Rom. 11:9-10)
Paulus stelt dan de vraag of God Israel dan niet zo heeft laten struikelen dat ze niet meer konden opstaan.(Rom. 11:11) Ik denk dat de context duidelijk op deze uitleg van de tekst duidt. De vraag die Paulus stelt is dus: heeft God ervoor gezorgd dat degenen onder de Israelieten die niet in Christus geloven, niet meer tot geloof kunnen komen?
Volstrekt niet! Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen, om hen tot naijver op te wekken. Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!(Rom. 11:12)
De Joden in de tijd van Paulus die niet in Christus geloven, hebben Christus laten kruisigen en daarmee hebben ze het evangelie mogelijk gemaakt. En omdat de synagoges het evangelie hebben verworpen, hebben ze daarmee gezorgd dat het evangelie naar de heidenen ging. Hun val en tekort, dus: dat ze ongelovig en dus verloren zijn zonder Christus, betekende rijkdom voor de wereld. Die rijkdom is dat de volken het evangelie hoorden en velen tot geloof kwamen, en deelgenoten werden van al Gods beloften.(Rom. 11:12)
…hoeveel te meer [zal] hun volheid [rijkdom voor de wereld betekenen]!(Rom. 11:12)
Wat betekenen die woorden? Val en tekort zijn het tegendeel van volheid (Gr: pleerooma) in dit vers. Als de val en het tekort van Israel gaan over het feit dat een groot deel van Israel niet gelooft, dan betekent hun volheid, logischerwijs, dat ze wel geloven. De volheid is dat ze het doel bereiken dat God met ze heeft, namelijk, dat ze volgelingen van Christus worden door het geloof.

Als de wereld enorm is gezegd door het ongeloof van Israel, hoeveel te meer zal de wereld worden gezegend als veel Joden tot geloof in Christus komen. Hoe is de wereld gezegend door hun ongeloof? Doordat daardoor het evangelie aan de wereld werd aangeboden, door een klein aantal Joden die wel volgelingen van Jezus werden. Als veel meer Joden tot geloof komen, zegt Paulus, zal dat nog veel beter voor de wereld zijn. Dan zal het evangelie nog veel meer verspreid worden.

Dat we bij het begrip volheid niet moeten denken aan het aantal Joden dat tot geloof komt, maar aan het tot geloof komen van een aantal van hen, blijkt ook uit de meteen hierop volgende verzen. Paulus wijst de heidenen in de gemeente in Rome op zijn taak:
... dat ik zo mogelijk de naijver van [de Joden] mocht opwekken, en enigen uit hen behouden.(Rom. 11:13-14).
Paulus plaatst de kwestie van het ongeloof van een groot deel van Israel dus niet in een eschatologisch licht, maar in het licht van de zending die hij bedrijft in zijn eigen tijd. En de verblinding van Israel plaats hij in het licht van de periode van de heilshistorie die wat Paulus betreft al voorbij was: de periode waarin God de ongehoorzaamheid van Israel gebruikte om het evangelie te voltrekken en het evangelie naar de heidenen te brengen. Nu dat is gebeurd, acht Paulus de tijd gekomen om de Joden die niet in Christus geloven, naar Hem te leiden.

In Rom. 11:15 herhaalt Paulus wat hij in Rom. 11:12 zei, maar in andere woorden:
Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?
Wat betekenen die woorden verwerping en aanneming? Ik denk dat we hierbij aan Gods handelen moeten denken. Joden die niet in Christus geloven, zijn door God verworpen. Omdat God aan de meeste Joden een geest van diepe slaap gaf, oren om niet te horen, omdat Hij hun ogen verduisterde, kwam het evangelie naar de wereld.(Rom. 11:8-10). Als Hij degenen die gaan geloven weer aanneemt, zal dat alleen maar tot meer zegen voor de wereld leiden: meer geloof in en getuigenis van Christus.

Paulus gebruikt voor de invloed van deze geloofsverandering van Joden de term leven uit de doden. Mij lijkt de term leven uit de doden een parallellie met de term verzoening die kort daarvoor wordt gebruikt. Als door het ongeloof van sommige Joden de wereld verzoening ontvangt, dan zullen die Joden als ze gaan geloven zelf ook met God verzoend worden, en dus op leven uit de doden mogen rekenen, en dat vervolgens ook weer aan de wereld aanbieden. Inderdaad, God heeft ze niet verstoten! God heeft immers geweldige beloften aan Israel gedaan, en als Israelieten gaan geloven in Christus, is het heil hun deel.

Immers – als de eerstelingen heilig zijn, dan ook het deeg. En als de wortel heilig is, dan ook de takken aan die wortel. Paulus gaat verder met een vergelijking met een boom. De wortels zijn heilig, dan ook de takken. Waar het dus om draait, is om takken aan de juiste boom te zijn, en als Joden weer op hun eigen heilige boom geent worden door het geloof, is dat hun verzoening met God, en hun leven uit de doden.(bij Rom. 11:16 e.v.)

Paulus gebruikt het beeld van de olijfboom waar Joodse takken (ongelovige Joden) uit zijn gekapt, terwijl er niet-Joodse takken (gelovige heidenen) tussen zijn geent. Die niet-Joodse takken zaten van oorsprong op de verkeerde boom. Paulus gebruik dit beeld om te laten zien dat als Joden tot geloof in Christus komen, ze opnieuw worden geent op de boom waar ze van nature op hadden moeten zitten.

Gelovigen uit de volken moeten dus niet neerkijken op de Joden die niet geloven, want ze hebben als heidense gelovigen deel gekregen aan de wortel waar die afgekapte takken, de ongelovige Joden, van nature op groeiden.

Wat is de boom? De wortel? De takken? Paulus maakt duidelijk dat in zijn beeld de takken de individuele gelovigen zijn, de volgelingen van Christus. Joden die niet in Christus geloven zijn van de boom gekapt, waar ze voorheen opzaten. Eerder in zijn brief maakte Paulus klip en klaar dat Joden die Christus verwerpen, geen deel hebben aan al de beloften van God voor Israel; het verbond is voor hen bedoeld, maar door hun ongeloof hebben ze er geen deel aan.

Ik zou denk ik bij wortel en boom niet te precies willen invullen wat het betekent. Het lijkt me in elk geval niet duiden op het volk Israel in de algemene, fysieke zin; als immers alle Joodse takken zouden zijn weggebroken, dan zou er nog steeds de stam met zijn wortel staan. Ik denk liever in meer algemene zin aan het geestelijk horen bij Abraham en diens geestelijke nageslacht, en de verbondsbeloften van God. Ja, die zijn aan Israel gedaan, maar hebben alleen geldigheid voor alle Christus-gelovigen van Israel, en diens volgelingen uit de heidenen erbij.

Maar duidelijk is ook, dat wie uit het fysieke Jodendom stamt, door tot geloof in Christus te komen op een veel uniekere manier op zijn eigen boom wordt geent, dan de gelovigen uit de volken. Vandaar dat gelovigen uit de volken zich bescheiden moeten opstellen. En vandaar dat de bekering van Joden een speciaal soort thuiskomen inhoudt. Niet alleen vinden ze hun Schepper, maar ze komen daarbij ook in aanraking met de wortels van hun eigen cultuur en voorgeslacht.

Bedenk: Paulus vertelt dit aan de gelovigen in Rome in de context van zijn opmerking dat hij als apostel van de heidenen hoopt dat hij enigen van die Joden kan behouden. En over het opnieuw enten aan de olijfboom gebruikt Paulus het woord indien (Rom. 11:23) als hij zegt dat ze indien ze niet bij hun ongeloof blijven, weder geent zullen worden. Dit is voorwaardelijk, en geen voorzegging van de bekering van Joden, en al helemaal niet van alle Joden. Wel plaats Paulus deze opmerking in de context van zijn eigen zendingswerk. Hij hoopt dat in zijn eigen tijd, mede door zijn werk onder de heidenen, Joden opnieuw geent worden op de boom, als gelovigen in Jezus Christus.

Het Griekse woord voor aldus (Gr: houtoos) dat we in Rom. 11:26 gaan tegenkomen (aldus zal gans Israel behouden worden) komt voor in Rom. 11:5, waar het als zo is vertaald: zo is er dan ook.... Het betekent hier op deze manier.

Het woord voor gans (Gr: pas) in datzelfde vers Rom. 11:26 komt in het eerste gedeelte van Rom. 11 niet voor.

zaterdag 15 november 2008

10. Romeinen 10:1-21

Romeinen 10 begint met woorden die evengoed als afsluiting van Rom. 9 kunnen worden gezien; Paulus komt immers terug op zijn verlangen om te zien dat Joden behouden worden, wat hij ook zei in Rom. 9:1-5. Paulus verlangt en bidt voor hun behoud. Ze zijn dus niet behouden. Dit woord, behoud, is hetzelfde dat in Rom. 11:26 wordt gebruikt: Aldus zal gans Israel behouden worden.

Joden zijn wel ijverig, zegt Paulus, maar op een verkeerde manier. Ze kennen Gods gerechtigheid niet en proberen hun eigen gerechtigheid te doen gelden (tot behoudenis). Aan Gods gerechtigheid hebben ze zich niet onderworpen.(Rom. 10:2-3)

In Rom. 10:4-8 herhaalt Paulus woorden die hij eerder sprak in de brief. Christus is het einde (of: einddoel) van de wet, en wie gelooft wordt gerechtvaardigd. Mozes benadrukt dat wie de (gehele) wet en dus de rechtvaardigheid doet, daardoor zal leven.(Rom. 10:4-5) Paulus heeft bij herhaling gezegd dat dit een onmogelijkheid is.

Wie van het geloof zijn rechtvaardging verwacht, weet dat hij niet naar de hemel hoeft te klimmen of in de afgrond af te dalen - Christus is immers al uit de hemel omlaag gekomen, en uit de dood opgestaan. We hoeven geen capriolen uit te halen, want Christus heeft alles voor ons gedaan. Het is voldoende om met het hart te geloven en met de mond te belijden dat Jezus Heer is en dat Hij uit de dood opstond; wie dat gelooft zal behouden worden:
Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.(Rom 10:10)
Me dunkt dat dit in wezen een parallelisme is. Wie gelooft en belijdt, ontvangt God’s gerechtigheid en behoudenis. Dat is een opdracht, en ook een belofte. Wie behouden wil worden, moet geloven in Christus, maar zo makkelijk is het ook. Je hoeft er zelf niet voor naar de hemel en de afgrond: Christus heeft dat al gedaan. Hij kwam uit de hemel – Hij is Heer. Hij kwam uit de afgrond – hij stond op uit de dood.

Paulus onderstreept zijn evangelie met een citaat uit Psalm 25:3, iets wat hij in Rom. 9:33 ook al zei:
Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.(Rom. 10:11)

Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen; want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.(Rom. 10:12-13)
Als het zo is, dat degenen die Hem aanroepen behouden worden, rest de gelovigen in Rome maar een ding: Dat is, aan hun Joodse en heidense buren het evangelie te verkondigen. Mensen zullen Hem alleen aanroepen als ze geloven; mensen kunnen alleen tot geloof komen als ze het evangelie horen; ze horen het, als iemand het hun preekt.(Rom. 10:15)

Maar het is ook duidelijk dat niet allen die het evangelie horen, ernaar luisteren. Dat was al duidelijk in het Oude Testament. Jesaja zegt van Israel:
De ganse dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. (Rom. 10:21)
Niet iedereen in Israel gehoorzaamde God, maar onder de heidense volken zouden mensen Hem wel gehoorzamen. Jesaja zegt:
Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen.(Rom.10:20)
Mozes zei al dat God zijn volk Israel jaloers zou maken op wat geen volk is.(Rom. 10:19)

De constructie van Paulus lijkt duidelijk. Het evangelie wordt in de hele wereld verkondigd, maar slechts een deel van Israel gelooft het, terwijl onder de andere volken ook mensen tot geloof komen.

Het woord voor aldus (Gr: houtoos) dat in Rom. 11:26 voorkomt (aldus zal gans Israel behouden worden), vinden we in Rom. 10:6, waar staat: de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: etc

Het woord voor gans (Gr: pas) dat voorkomt in Rom. 11:26, zien we ook in Rom. 10:4 – voor een ieder die gelooft.

In Rom 10:11-13 komt hetzelfde woord vier keer voor: allen (Gr: pas) die in hem geloven zullen niet beschaamd uitkomen. Hij is immers Heer over allen (Gr: pas), rijk voor allen (Gr: pas) die Hem aanroepen. Want allen (Gr: pas) die Hem aanroepen zullen behouden worden.

Het woord pas (allen) komen we ook tegen in Rom. 10:16 – niet allen hebben gehoor gegeven. En in Rom 10:18 – over de ganse (Gr: pas) aarde is hun stem gehoord.

vrijdag 14 november 2008

9. Romeinen 9:1-33

Na de eerste 8 hoofdstukken van zijn brief moet Paulus met de hand op het hart, in tamelijk krachtige woorden, onderstrepen dat hij zich echt om het Israel-naar-het-vlees bekommert:
Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; immers, zij zijn Israelieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hun is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.[Rom. 9:2-5]
Dat Paulus wel van Christus verbannen wil zijn omwille van het deel van Israel dat niet Christus volgt, onderstreept dat die Joden in hun ongeloof zelf los zijn van Christus, en dat dit voor hen zeer dramatische gevolgen heeft. Paulus heeft dat uitgebreid in de eerste 8 hoofdstukken van zijn brief uitgewerkt. Zonder Christus zijn alle mensen, Joden incluis, verloren.

De bovenstaande lijst met de voordelen voor de Israelieten wil blijkbaar niet zeggen dat al die zaken voor alle Israelieten van toepassing zijn. Ze horen van nature bij het volk, omdat God ze daartoe uitkoos, maar zonder aan Christus verbonden te zijn, doen ze Israel geen nut.

Zijn de beloften van God aan Israel dan dus vervallen? Hij had toch beloofd dat met de komst van de Christus gans Israel zou behouden worden? Blijkbaar is dat niet zo? Nee, zegt Paulus, God’s woord is niet vervallen, maar je moet het woord goed uitleggen.

Paulus geeft vervolgens zijn uitleg:
Want niet allen, die van Israel [dat is, Jakob] afstammen, zijn Israel, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht.[Rom. 9:6-8]
Het Griekse woord dat wordt gebruikt voor gans (pas) in aldus zal gans Israel behouden worden, komt voor in Rom. 9:6 en 7. Paulus zegt dat niet allen die van Israel afstammen, ook echt Israel zijn; en niet allen zijn kinderen die van Abraham afstammen.

In voorgaande hoofdstukken heeft Paulus dit al uitgebreid behandeld, dus hij zegt niet iets nieuws nu. In Rom 9:9-13 vult hij dit nader in, door erop te wijzen dat God in het Oude Testament wel vaker bepaalde nakomelingen van Jakob uitkoos, en andere niet. Dus: ook in het Oude Verbond was het al duidelijk dat niet alle fysieke nakomelingen (aan de wie de belofte was gedaan voor hem en diens nageslacht) onder de verbondszegeningen van God vallen.

Is dat onrechtvaardig van God? Dat was ongetwijfeld het argument van veel Joden die deze woorden van Paulus hoorden. Paulus meent niet dat sprake is van onrechtvaardigheid, en wijst op God’s recht om zich te ontfermen over wie Hij wil, en om te verharden wie Hij wil.[Rom 9:18]

Paulus haalt zijn bewijs voor God’s verkiezend handelen uit het meest formatieve deel van de geschiedenis van Israel, namelijk de tijd van de exodus uit Egypte; tegen Mozes zegt God dat Hij zich ontfermt over wie Hij wil. Volgens Paulus ligt het dus niet aan of iemand wil, of iets doet, maar van God die zich ontfermt.[Rom. 9:15-16]. En Farao is een voorbeeld van hoe God iemand verhardt opdat Gods naam verspreid zou worden over de hele aarde.[Rom. 9:17]

Paulus komt op deze gedachte van de verharding later terug, in Rom 11:29-32. Met die verzen op het oog lijkt het me redelijk om te zeggen dat Paulus in zijn woorden in Rom. 9:17-18 erop doelt dat als God iemand (of Israel) verhard, dit bedoeld is om de hele wereld zijn naam te doen kennen. In deze verzen is dus geen sprake van een globale theologie over de uitverkiezing, maar in de eerste plaats een bespreking van een concreet moment in de heilshistorie. Dat wordt ook duidelijk uit wat Paulus hierna zegt.

Opnieuw noemt Paulus het recht van God om te doen wat Hij wil:
Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?[Rom. 9:20-21]
In de woorden waarom hebt gij mij zo (Gr: houtoos) gemaakt, zit het woord dat ook voorkomt in de tekst: aldus (houtoos) zal gans Israel behouden worden. In Rom. 9:20 betekent dat woord beslist: op deze manier.

In Rom. 9:22-23 spreekt Paulus vervolgens belangrijke woorden in lastige lange zinnen. Ik probeer ze te volgen.
1. God heeft de voorwerpen van toorn, die tot het verderf waren gemaakt, met lankmoedigheid verdragen.
2. Die lankmoedigheid toonde Hij, hoewel Hij zijn toorn en kracht wilde tonen.
3. Het doel van deze lankmoedigheid was, om zijn heerlijkheid bekend te maken.
4. Die heerlijkheid maakt Hij bekend over de voorwerpen van ontferming
5. Die voorwerpen van ontferming heeft Hij tot heerlijkheid voorbereid.
Door te spreken over voorwerpen van toorn en voorwerpen van ontferming gaat Palulus door op zijn metafoor van de pottenbakker en de potten. Om te begrijpen wat Paulus hier zegt, beginnen we met Rom. 9:24, waar Paulus spreekt over de voorwerpen van ontferming die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid:
Dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden maar ook uit de heidenen.
Dat is dus de gemeente van Christus. Paulus laat zien dat Hosea al oog had voor het feit dat God eenmaal tegen heidenen zou zeggen: jullie zijn mijn volk, en dat wie niet geliefd was (de heidenen) geliefden van God zouden worden. Zij die ooit niet-het-volk waren, zullen zonen van de levende God worden. Dat stemt overeen met de woorden van Jesaja, dat van Israel slechts een overschot behouden zal worden. Niet alle Joden worden behouden. Helder toch?

Terug naar Rom. 9:22-23. De voorwerpen van ontferming zijn dus de Joden en mensen uit de volken die Jezus zijn gaan volgen. Christenen. De gemeente van Christus. De voorwerpen van toorn die God met lankmoedigheid verdraagt, dat lijken me de ongelovigen uit de volken en uit Israel. Paulus zegt wederom niks nieuws – zie bijv. Rom. 1:18-2:4. Paulus heeft het daar naar het lijkt in de eerste plaats over de geschiedenis van de mensheid; een geschiedenis van afval van God. Dat God met geduld zijn toorn heeft ingehouden over de zondige mensheid, was omdat Hij een plan had om zijn heerlijkheid te laten zien voor degenen die Hem in Christus volgen.

Even terzijde, Paulus suggereert in Rom. 1 en 2, waar hij over de toorn van God en over deze mensen spreekt, nimmer dat deze mensen zich niet kunnen of moeten bekeren; integendeel, hij roept deze mensen op tot bekering en geloof!

Paulus vat vervolgens samen wat hij in eerder hoofdstukken ook al breed heeft uitgemeten. Heidenen hebben gerechtigheid gekregen door het geloof, terwijl Israel de plank missloeg: het ging niet uit van geloof maar van vermeende werken.[Rom. 9:30-32]

Christus is de steen des aanstoots waar velen over zijn gestruikeld, maar wie op Hem zijn geloof bouwt, komt niet beschaamd uit.[Rom. 9:33]

donderdag 11 september 2008

Pauze na Romeinen 1-8. Tussenstand

Welaan, dat waren de eerste acht hoofdstukken van de Romeinenbrief van Paulus. Voor mij een interessante speurtocht, om deze hoofdstukken te lezen met de vraagstelling over de verhouding tussen Kerk en Israel centraal. Een paar opmerkingen voor ik verder ga.
1. Ik denk dat ik de denktrant van Paulus behoorlijk nauwkeurig heb gevolgd, maar ik weet dat ik allerlei theologische finesses heb gemist, bewust of onbewust.

2. Paulus treedt met zijn discussie over wet en geloof ongetwijfeld niet in een vacuum; de kwestie moet ook onder Joden die geen volgeling van Jezus waren, een rol hebben gespeeld.

3. Ik heb de indruk dat Paulus, als hij de term wet gebruikt, een breed begripsveld op het oog heeft. Soms lijkt het te gaan over concrete morele leefregels, andere keren over de Schriften in het algemeen.

4. Mijn stelling dat het Paulus ging om de verhouding tussen Kerk en Israel, lijkt stevig bevestigd door mijn lezen en beschrijven van deze hoofdstukken. Ik heb niet het gevoel dat ik het geheel van Rom. 1-8 in een keurslijf moest duwen om met alle geweld dit thema overal te zien.

5. Ik denk dat de theologie van Paulus over de behoudenis - de rechtvaardiging door geloof alleen - in deze brief staat, omdat het de bespreking van de verhouding van Kerk en Israel dient.

6. En voordat we beginnen aan de roemruchte hoofdstukken Rom. 9-11 die door veel christenen heel verschillend worden begrepen, lijkt het wijs om Rom. 1-8 nog eens met de stofkam door te nemen.
Ik wil hier dus gaan samenvatten wat Rom. 1-8 ons leert over de visie van Paulus over de verhouding tussen Israel, Joodse volgelingen van Jezus, en volgelingen van Jezus uit de overige volken. Daarover gaat straks Rom. 9-11, en die hoofdstukken kunnen niet tegenspreken wat Paulus in Rom. 1-8 heeft gezegd, maar dienen daar logisch op aan te sluiten.

Het evangelie dat Paulus verkondigt, gaat over de Joodse Christus Jezus uit het geslacht van de Joodse koning David; dit evangelie was tevoren door de Joodse profeten in de Joodse Schriften was beloofd. Het evangelie is echter niet alleen bestemd voor Joden; God is een onpartijdig, en alle mensen zijn gelijk voor God.

Het evangelie is een kracht van God tot behoudenis voor allen die geloven, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Alle mensen hebben behoudenis nodig; God’s oordeel gaat immers over alle mensen, omdat alle mensen, Joden en niet-Joden, zondaars zijn. Met veel citaten uit de Joodse Schriften laat Paulus zien dat alle mensen onrechtvaardig zijn, dat er niemand is die God ernstig zoekt. Dat wil zeggen, Joden en Grieken zijn even slecht.

Dat Joden de wet bezitten is een enorm voordeel voor hen, omdat ze daardoor de wil van God kennen. Maar de wet kennen als zodanig, en besneden zijn, hebben voor God geen betekenis, als dat niet gepaard gaat met gehoorzaamheid aan de wet.

Als onbesneden niet-Joden zich wel aan de wet houden, geldt die onbesnedenheid voor God als besneden zijn. Een besneden Jood die de wet bezit, maar zich niet aan die wet houdt, wordt geoordeeld door de onbesneden persoon uit de volken die de wet volbrengt.

Paulus stelt vast dat het ware Israel moet worden gedefineerd als: Joden die Christus gehoorzaam zijn, samen met gelovigen in Christus uit de volken.

Door je aan de wet te houden kan niemand rechtvaardig worden. God maakt die rechtvaardigheid echter beschikbaar buiten de wet om, door geloof in Jezus Christus. Dat is ook hoe Abraham werd gerechtvaardigd: Door het geloof, toen hij nog niet was besneden; de besnijdenis ontving hij als bevestiging van het geloof dat hij als onbesnedene had.

Paulus legt uit dat Abraham daardoor een vader is voor Christus-gelovigen uit de onbesnedenen en voor Christus-gelovigen uit de besnedenen. Daarmee schept Paulus eenheid tussen de Joodse en niet-Joodse gelovigen in de gemeente in Rome; in Abraham hebben ze een gezamenlijke stamvader door het geloof. Niet Mozes en de wet brengen de gelovigen tesamen, maar Abraham en diens geloof.

De belofte aan Abraham en diens nageslacht dat ze de wereld zullen beerven was niet gerelateerd aan de wet maar aan de gerechtigheid die uit het geloof is. Het geloof en de daaraan verbonden beloften maakt mensen tot erfgenamen van de wereld; wie meent dat de gehoorzaamheid aan de wet mensen tot erfgenaam van de beloften maakt, is geen erfgenaam van de belofte. Paulus zegt dus dat zulke Joden niet in de verbondsrelatie met God staan.

Zoals door de ene mens, Adam, de dood in de wereld kwam, zo heeft de ene mens, Jezus Christus, voor allen rechtvaardiging gebracht. Daarbij is geen onderscheid tussen Jood of niet-Jood. Voor alle gelovigen, of ze geboren zijn als Jood of als niet-Jood, geldt dat ze dood waren, maar dat ze thans zijn vrijgemaakt van de zonde. Hun bestemming, van Christus-gelovige Jood en niet-Jood, is het eeuwige leven.

Als Christus en diens Geest in ons wonen, kunnen we God behagen. Wie niet aan Christus verbonden is, kan dat niet, want hij is in het vlees en heeft dus de gezindheid van vijandschap tegen God. Joden zonder Christus hebben dus de gezindheid van vijandschap tegen God.

Maar voor Joden en heidenen in de gemeente in Rome geldt:
Die Geest getuigt dat we kinderen van God zijn. Zijn we nu kinderen, dan zijn we ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus... om ... te delen in zijn verheerlijking.
Abraham en zijn nageslacht zijn erfgenaam van de wereld. Als een Jood niet in Christus gelooft, is hij geen erfgenaam. Maar: Wie door het geloof kinderen van God zijn, die zijn de erfgenamen van de beloften aan Abraham, erfgenamen van wat God beloofde. En die erfenis wordt hier omschreven als verheerlijking. Paulus spreekt dan in schitterende woorden over die verheerlijking:
Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd to gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; En die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Al die mensen die Christus liefhebben, Joden en mensen uit de volken samen, zijn volgens God's voornemen geroepen. De volgelingen van Jezus, of ze nou van Joodse of niet-Joodse afkomst zijn, zijn dus op dezelfde tijd - in de eeuwigheid voor de schepping - door God bestemd tot heerlijkheid. Er is dus geen onderscheid tussen Joden en niet-Joden in God's eeuwige raadsbesluiten. Ieder mens die in Christus gelooft, wordt behouden en wacht de erfenis: verheerlijking in de eeuwigheid.

Erfgenamen van de belofte wacht de verheerlijking in de eeuwigheid, eer en vrede, verlossing uit het lichaam van de dood. Dat is de behoudenis die het Evangelie aanbiedt. Het tegendeel ervan is verloren gaan. Daarmee samen hangen het derven van de heerlijkheid van God, toorn, dag des toorns, gramschap, verdrukking, benauwdheid.

Behoudenis is Gods geschenk aan allen die in Christus geloven, terwijl verloren zijn de situatie is van allen die niet geloven. In Rom 1-8 komt het woord allen, of een ieder, of gans (Gr: pas) vrij vaak voor. Dit woord dat ook in de tekst aldus zal gans Israel behouden worden voorkomt, duidt op numerieke totaalheid, en wil echt zeggen dat niemand is uitgezonderd.

Wat hebben we tot nu toe gezien over het woord aldus (Gr: houtoos )? Het heeft de volgende betekenis: Derhalve, dus, aldus, evenzo, op die manier, in Rom 1:15; Rom. 4:18; Rom. 5:12,15,18,21; Rom. 6:4,11,19.