Welaan, dat waren de eerste acht hoofdstukken van de Romeinenbrief van Paulus. Voor mij een interessante speurtocht, om deze hoofdstukken te lezen met de vraagstelling over de verhouding tussen
Kerk en Israel centraal. Een paar opmerkingen voor ik verder ga.
1. Ik denk dat ik de denktrant van Paulus behoorlijk nauwkeurig heb gevolgd, maar ik weet dat ik allerlei theologische finesses heb gemist, bewust of onbewust.
2. Paulus treedt met zijn discussie over wet en geloof ongetwijfeld niet in een vacuum; de kwestie moet ook onder Joden die geen volgeling van Jezus waren, een rol hebben gespeeld.
3. Ik heb de indruk dat Paulus, als hij de term wet gebruikt, een breed begripsveld op het oog heeft. Soms lijkt het te gaan over concrete morele leefregels, andere keren over de Schriften in het algemeen.
4. Mijn stelling dat het Paulus ging om de verhouding tussen Kerk en Israel, lijkt stevig bevestigd door mijn lezen en beschrijven van deze hoofdstukken. Ik heb niet het gevoel dat ik het geheel van Rom. 1-8 in een keurslijf moest duwen om met alle geweld dit thema overal te zien.
5. Ik denk dat de theologie van Paulus over de behoudenis - de rechtvaardiging door geloof alleen - in deze brief staat, omdat het de bespreking van de verhouding van Kerk en Israel dient.
6. En voordat we beginnen aan de roemruchte hoofdstukken Rom. 9-11 die door veel christenen heel verschillend worden begrepen, lijkt het wijs om Rom. 1-8 nog eens met de stofkam door te nemen.
Ik wil hier dus gaan samenvatten wat Rom. 1-8 ons leert over de visie van Paulus over de verhouding tussen Israel, Joodse volgelingen van Jezus, en volgelingen van Jezus uit de overige volken. Daarover gaat straks Rom. 9-11, en die hoofdstukken kunnen niet tegenspreken wat Paulus in Rom. 1-8 heeft gezegd, maar dienen daar logisch op aan te sluiten.
Het evangelie dat Paulus verkondigt, gaat over de Joodse Christus Jezus uit het geslacht van de Joodse koning David; dit evangelie was tevoren door de Joodse profeten in de Joodse Schriften was beloofd. Het evangelie is echter niet alleen bestemd voor Joden; God is een onpartijdig, en alle mensen zijn gelijk voor God.
Het evangelie is een kracht van God tot behoudenis voor
allen die geloven, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Alle mensen hebben behoudenis nodig; God’s oordeel gaat immers over alle mensen, omdat alle mensen, Joden en niet-Joden, zondaars zijn. Met veel citaten uit de Joodse Schriften laat Paulus zien dat
alle mensen onrechtvaardig zijn, dat er
niemand is die God ernstig zoekt. Dat wil zeggen, Joden en Grieken zijn even slecht.
Dat Joden de wet bezitten is een enorm voordeel voor hen, omdat ze daardoor de wil van God kennen. Maar de wet kennen als zodanig, en besneden zijn, hebben voor God geen betekenis, als dat niet gepaard gaat met
gehoorzaamheid aan de wet.
Als onbesneden niet-Joden zich
wel aan de wet houden, geldt die onbesnedenheid voor God als besneden zijn. Een besneden Jood die de wet bezit, maar zich niet aan die wet houdt, wordt geoordeeld door de onbesneden persoon uit de volken die de wet volbrengt.
Paulus stelt vast dat het ware Israel moet worden gedefineerd als: Joden die Christus gehoorzaam zijn, samen met gelovigen in Christus uit de volken.
Door je aan de wet te houden kan niemand rechtvaardig worden. God maakt die rechtvaardigheid echter beschikbaar buiten de wet om, door geloof in Jezus Christus. Dat is ook hoe Abraham werd gerechtvaardigd: Door het geloof, toen hij nog niet was besneden; de besnijdenis ontving hij als bevestiging van het geloof dat hij als onbesnedene had.
Paulus legt uit dat Abraham daardoor een vader is voor Christus-gelovigen uit de onbesnedenen en voor Christus-gelovigen uit de besnedenen. Daarmee schept Paulus eenheid tussen de Joodse en niet-Joodse gelovigen in de gemeente in Rome; in Abraham hebben ze een gezamenlijke stamvader door het geloof. Niet Mozes en de wet brengen de gelovigen tesamen, maar Abraham en diens geloof.
De belofte aan Abraham en diens nageslacht dat ze de wereld zullen beerven was niet gerelateerd aan de wet maar aan de gerechtigheid die uit het geloof is. Het geloof en de daaraan verbonden beloften maakt mensen tot erfgenamen van de wereld; wie meent dat de gehoorzaamheid aan de wet mensen tot erfgenaam van de beloften maakt, is geen erfgenaam van de belofte. Paulus zegt dus dat zulke Joden niet in de verbondsrelatie met God staan.
Zoals door de ene mens, Adam, de dood in de wereld kwam, zo heeft de ene mens, Jezus Christus, voor allen rechtvaardiging gebracht. Daarbij is geen onderscheid tussen Jood of niet-Jood. Voor alle gelovigen, of ze geboren zijn als Jood of als niet-Jood, geldt dat ze dood waren, maar dat ze thans zijn vrijgemaakt van de zonde. Hun bestemming, van Christus-gelovige Jood en niet-Jood, is het eeuwige leven.
Als Christus en diens Geest in ons wonen, kunnen we God behagen. Wie niet aan Christus verbonden is, kan dat niet, want hij is in het vlees en heeft dus de gezindheid van vijandschap tegen God. Joden zonder Christus hebben dus de gezindheid van vijandschap tegen God.
Maar voor Joden en heidenen in de gemeente in Rome geldt:
Die Geest getuigt dat we kinderen van God zijn. Zijn we nu kinderen, dan zijn we ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus... om ... te delen in zijn verheerlijking.
Abraham en zijn nageslacht zijn erfgenaam van de wereld. Als een Jood niet in Christus gelooft, is hij geen erfgenaam. Maar: Wie door het geloof kinderen van God zijn, die zijn de erfgenamen van de beloften aan Abraham, erfgenamen van wat God beloofde. En die erfenis wordt hier omschreven als verheerlijking. Paulus spreekt dan in schitterende woorden over die verheerlijking:
Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd to gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; En die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Al die mensen die Christus liefhebben, Joden en mensen uit de volken samen, zijn volgens God's voornemen geroepen. De volgelingen van Jezus, of ze nou van Joodse of niet-Joodse afkomst zijn, zijn dus op dezelfde tijd - in de eeuwigheid voor de schepping - door God bestemd tot heerlijkheid. Er is dus geen onderscheid tussen Joden en niet-Joden in God's eeuwige raadsbesluiten. Ieder mens die in Christus gelooft, wordt behouden en wacht de erfenis: verheerlijking in de eeuwigheid.
Erfgenamen van de belofte wacht de verheerlijking in de eeuwigheid, eer en vrede, verlossing uit het lichaam van de dood. Dat is de behoudenis die het Evangelie aanbiedt. Het tegendeel ervan is verloren gaan. Daarmee samen hangen het derven van de heerlijkheid van God, toorn, dag des toorns, gramschap, verdrukking, benauwdheid.
Behoudenis is Gods geschenk aan allen die in Christus geloven, terwijl verloren zijn de situatie is van allen die niet geloven. In Rom 1-8 komt het woord
allen, of
een ieder, of
gans (Gr:
pas) vrij vaak voor. Dit woord dat ook in de tekst
aldus zal gans Israel behouden worden voorkomt, duidt op numerieke totaalheid, en wil echt zeggen dat niemand is uitgezonderd.
Wat hebben we tot nu toe gezien over het woord
aldus (Gr:
houtoos )? Het heeft de volgende betekenis:
Derhalve, dus, aldus, evenzo, op die manier, in Rom 1:15; Rom. 4:18; Rom. 5:12
,15,18,21; Rom. 6:4,11,19.