Posts tonen met het label 1218. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1218. Alle posts tonen

donderdag 11 september 2008

7. Romeinen 7:1-26

Rom. 7 is een lastig hoofdstuk waar veel discussie over wordt gevoerd. Bespreekt Paulus zijn geestelijk leven als christen, of gaat het over zijn geestelijk leven in de tijd dat hij nog geen christen was?   Ik wil proberen dit hoofdstuk te lezen op dezelfde manier die we in voorgaande hoofdstukken deden, namelijk vanuit de vraag hoe Paulus ingaat op de verhouding tussen Joden en heidenen in de gemeente in Rome.      

Paulus spreekt Joodse gelovigen in de gemeente aan - broeders die de wet kennen. Hij laat zien dat doordat ze met Christus zijn gestorven, ze dood waren voor de wet, om door de dood met Christus, gesymboliseerd in de doop, eigendom te worden van Christus en om voor Hem te leven. (Rom. 7:1, 4)   

Eigendom van Christus - dat lijkt me een begrip dat met behoudenis te maken heeft. Dat hangt samen met het concept dat we van de eigendomsrechten van de wet zijn ontslagen, en dat we in de nieuwe staat van de Geest zijn. (Rom. 7:4,6)  

Met dat laatste lijkt Paulus opnieuw te refereren aan verbondsbeloften van het Jodendom, waarbij een verandering van het hart en het werk van de Geest werden beloofd in een nieuw verbond. (Jeremia 31:33, Ezechiel 37)   Paulus vergelijkt de relatie tussen gelovigen en de Thora met het huwelijk. Zolang beide partners leven, is echtscheiding taboe. Als echter een van de partners sterft, is de ander ontslagen van de Thora waarmee voor eeuwig in de echt verbonden was. (Rom. 7:2-3)   

Paulus zegt dus aan de Joden in de gemeente in Rome, dat ze door met Christus te zijn gestorven, losgemaakt zijn van de wet, om eigendom te worden van Christus die uit de doden is opgewekt. Geloof in Christus heeft de huwelijksband met de wet beĆ«indigd, en er is nu sprake van een huwelijk met Christus.  In het nieuwe verbond met God is het geloof in Christus de focus, en niet langer de Thora.   

De vergelijking met de doop wordt voortgezet. Doordat de gelovigen met Jezus uit de dood zijn opgewekt, kunnen ze voor God vrucht dragen. (Rom. 7:4) Het vrucht dragen refereert wellicht aan zaad dat in de akker sterft, om te ontkiemen in nieuw leven.   

Dat is een radicale vergelijking. Een Jood die vroeger aan de Thora verbonden was, is door zijn dood en opstanding met Christus niet meer aan die wet maar aan Christus verbonden. Voor wetsgetrouwe Joden die geen christen zijn, is dat een aanstootgevende uitspraak. In Rom. 7:5-6 gaat Paulus met die radicale taal door:   
Want toen we in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.   
Het wij dat Paulus gebruikt, kan alleen duiden op Joodse gelovigen, want a) daar begint Paulus mee in Rom. 7:1, maar ook b) omdat de gelovigen uit de volken niet van die Thora hoeven te worden ontslagen. Ze waren nooit ‘gehuwd met’ de wetten van Israel.   

Laat dat maar eens op je inwerken. Wat zegt Paulus daar over het Jodendom zonder Christus? Net als alle andere mensen hadden ze zondige hartstochten, maar die werden door de Thora nog extra geprikkeld. Gevolg was dat zulke mensen voor de dood vrucht droegen. Ze waren gevangen door de wet.   

Opnieuw klinkt dan de vraag of de wet dan verkeerd is. Nee, zegt Paulus, volstrekt niet. De Thora heeft juist onthuld wat zonde is, want zonder wet is de zonde dood, zegt Paulus in Rom. 7:8b. Me dunkt dat Paulus dit niet in absolute zin bedoelt, want eerder in de brief heeft hij al laten weten dat ook voor de Thora werd gegeven, de zonde in de mens ruimschoots tot uiting kwam. En een paar verzen eerder zei Paulus dat de wetgeving de reeds bestaande zondige hartstochten prikkelde.   

In Rom. 7:9 zegt Paulus dan dat hij eertijds zonder wet leefde, maar dat toen het gebod kwam, de zonde begon te leven terwijl hijzelf begon te sterven. Het gebod dat ten leven moest leiden, deed dat niet; het bleek juist naar de dood te leiden. De zonde bewees juist zijn kracht door toen de wet kwam nog meer verleidingen te veroorzaken.   

Als Paulus zegt dat hij eertijds zonder wet leefde, op welke periode in zijn leven slaat dit? Misschien op de tijd van voordat hij een wetsgetrouwe FarizeeĆ«r werd. Maar ik kan me ook voorstellen dat Paulus in deze verzen in wezen zichzelf in de plaats van Israel stelt. Eerder in de Romeinenbrief sprak Paulus over de tijd van voor Mozes, toen Israel nog geen Thora bezat. Toen kwam het gebod; Israel kreeg de wetgeving via Mozes. Voor Israel leidde dat niet tot een hechtere band met God maar tot een groter besef van zonde, en het zorgde zelfs voor het aanwakkeren van de zondige verlangens.   

De mens bewijst juist zijn slechtheid door als de Thora komt, die heilig en rechtvaardig en goed is, meer te gaan zondigen. (Rom. 7:12)   

‘Prima, je zegt dus dat de wet goed is, Paulus, maar de goede wet is dus mijn dood geworden?’ Opnieuw voert Paulus zijn critici vragend ten tonele. Paulus antwoord op die vraag met een duidelijk neen: De Thora is geestelijk, maar de mens is vleselijk, verkocht onder de zonde. (Rom. 7:13-14) Het probleem zit hem niet in de wet, maar in de mens. Paulus zegt dan in Rom. 7:14-16:    
Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.    
Dat Paulus in de ik-vorm spreekt, lijkt me beslist geen aanwijzing dat hij het over zijn eigen christenleven heeft. Immers, hij legt uit wat het betekent dat de mens een slaaf is van de zonde (verkocht onder de zonde). Hij heeft echter voorheen, bijv. in Rom. 6:6, expliciet gezegd dat christenen geen slaven van de zonde meer zijn.   

Paulus spreekt hier dus over niet-christenen, en met het oog op Rom. 7:1 is het redelijk om te zeggen: hij heeft het over de situatie van Joden die geen christen zijn. Hij doet dat met het oog op de Joden in de gemeente die wel christen zijn, maar die worstelen met de vraag hoe hun Thora en wetsbetrachting zich verhouden tot het leven als christen, en wat de heidense gelovigen met die wetten moeten doen.   

Paulus zegt niet alleen dat die heidense gelovigen er niets mee moeten doen, hij gaat veel verder: Jullie Joden in de gemeente, jullie zelf zijn niet langer aan de wet gebonden.  Voor Paulus was dit van groot belang, omdat de Thora nou net de scheiding veroorzaakte tussen de etnische groepen in de kerk in Rome.   

Paulus legt met nog meer woorden uit dat wetsgetrouwe niet-christelijke Joden graag het goede willen doen, maar het kwade is door de zonde in hen aanwezig. Ze zijn krijgsgevangenen van de wet van de zonde. (Rom. 7:23)   

Namens dat niet-christelijke Jodendom roept Paulus dus uit:   
Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?     
Dat is een aspect van behoudenis: verlossing uit het lichaam van deze dood. Daarbij moet niet worden gedacht aan het fysiek aspect van ons mens-zijn tegenover onze ziel of iets dergelijks, maar aan ons hele van God vervreemde bestaan als mens op aarde.     

En het antwoord op die vraag naar de verlossing luidt:    
Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!    
Paulus sluit zijn betoog over het niet-christelijke Jodendom dan af met de mededeling van Rom. 7:26:    
Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.
In Rom. 8 gaat Paulus vervolgens uitleggen dat wie in Christus geloven, zijn vrijgemaakt van de wetmatigheid om te zondigen die Rom. 7:26 noemt. Een goede reden om in Rom. 7 met de uitleg niet te denken dat Paulus zijn christelijke geestelijk leven bespreekt, maar zijn voorchristelijke, wetgetrouwe Joodse leven. En daarmee dus de status van geheel Israel zonder Christus.   

Het Griekse woord pas (allen) en diens afleidingen en ook het woord houtoos (aldus) kwamen in dit hoofdstuk niet voor.